Lijfrenten (O) – omzetten in een andere lijfrente – 1

door | mrt 20, 2019

Welke mogelijkheden biedt de Wet IB 2001, bij het 

omzetten van een lijfrente in een andere lijfrente?

 

•  Art. 3.134 lid 1 Wet IB 2001:

   ▪  biedt de mogelijkheid om een fiscaal toegestane lijfrente:

        ▪  fiscaal geruisloos om te zetten in een andere toegestane lijfrente.

 

•  Tevens:

   ▪  is het mogelijk om een lijfrente om te zetten:

        ▪  in een nieuwe lijfrente met dezelfde lijfrentevorm,

             ▪  om bijvoorbeeld een beter rendement te halen.

 

•  Dit heeft geen fiscale consequenties:

   ▪  omdat de nieuwe lijfrente,

        ▪  als een voortzetting van de oude lijfrente wordt beschouwd.

             ▪  (art. 3.134 lid 1 Wet IB 2001).

 

 

Wat zijn de voorwaarden, om een gefaciliteerde lijfrente

om te zetten in een andere lijfrente?

 

•  De voorwaarden zijn:

   ▪  dat een keuze moet worden gemaakt,

        ▪  uit een van de toegelaten lijfrentevormen;

 

   ▪  de lijfrente moet worden ondergebracht,   

 

       ▪  bij een toegelaten verzekeraar, of pensioenfonds;

             ▪  (art. 3.126 lid 1 Wet IB 2001).

 

       ▪  bij een toegelaten bank, beleggingsinstelling,

            ▪  of beheerder van een beleggingsinstelling;

                 ▪  (art. 3.126a lid 2 Wet IB 2001).

 

 

Op welke wijze kan ook een lijfrente worden afgesloten?

 

•  De lijfrente

   ▪  mag ook worden afgesloten bij een in Nederland wonend persoon,

        ▪  of een in Nederland gevestigd lichaam,

 

   ▪  1) als tegenprestatie voor de overdracht van een onderneming,

        ▪  of een gedeelte van een onderneming,

 

   ▪  2) tot ten hoogste het bedrag dat met de overdracht is gemoeid

        ▪  en het bedrag van de afnemingen van de oudedagsreserve;

             ▪  (art. 3.126 lid 1a sub 2 Wet IB 2001).

 

 

Waarin kan een lijfrente tevens worden omgezet?

 

•  Een verzekerde lijfrente:

   ▪  kan tevens in een bancaire lijfrente worden omgezet,

        ▪  of een bancaire lijfrente in een verzekerde lijfrente.

 

•  Indien:

   ▪  een uitkerende verzekerde lijfrente bij een verzekeraar,

        ▪  wordt omgezet in een uitkerende bancaire lijfrente,

             ▪  dient de duur van de bancaire lijfrente tenminste 5 jaar te zijn,

                  ▪  (Besluit van 13 juni 2012, BLKB2012/283M, onderdeel 4.8).

 

•  Er mag geen rekening worden gehouden,

   ▪  met de al verstreken uitkeringsduur.

 

•  Dit heeft gevolgen:

   ▪  voor de totale duur

        ▪  en de hoogte van de lijfrente-uitkeringen.

 

 

Welke voorwaarden zijn verbonden, aan het omzetten

van een lijfrente in een andere lijfrente?

 

•  De voorwaarden zijn als volgt:

   ▪  de lijfrente mag niet worden ondergebracht,

        ▪  in een eigen BV (afkoop!),

 

   ▪  omdat een eigen BV geen toegestane uitvoerder is;

        ▪  (art. 3.126 lid 1 Wet IB 2001 en  

             ▪  art. 3.133 lid 2 g en 2 j Wet IB 2001).

 

•  De reservewaarde van de lijfrente:

   ▪  moet rechtstreeks van de ene uitvoerder,

        ▪  naar de andere uitvoerder worden overgemaakt.

 

 

Welke omzettingen van lijfrenten zijn mogelijk?

 

•  De volgende omzettingen zijn mogelijk:

 

Van

▪  levenslange lijfrente-uitkering via verzekering,

naar

▪  bancaire lijfrente, duur minimaal 20 jaar.

 

•  De jaren:

   ▪  na de AOW-leeftijd tellen mee

        ▪  en mogen van de duur worden afgetrokken.

             ▪  De minimale duur bedraagt echter 5 jaar.

 

 

Van

▪  bancaire lijfrente-uitkering duur minimaal 20 jaar,

naar

▪  levenslange lijfrente-uitkering.

 

 

Van

▪  tijdelijke bancaire lijfrente-uitkering,

naar

▪  tijdelijke bancaire lijfrente-uitkering.

 

•  De duur:

   ▪  is korter dan 20 jaar,

        ▪  doch minimaal 5 jaar,

             ▪  of korter, indien de resterende duur korter is.

 

 

Van

▪  levenslange lijfrente-uitkering via verzekering,

     ▪  of bancaire lijfrente,

          ▪  duur minimaal 20 jaar,

naar

▪  tijdelijke lijfrente-uitkering,

     ▪  of bancaire lijfrente-uitkering,

          ▪  duur minimaal 20 jaar.

 

•  De eerdere uitkeringsjaren tellen niet.

   ▪  De AOW-gerechtigde leeftijd plus 5 jaar,

        ▪  mag bij de nieuwe uitkering verstreken zijn.

 

 

Van

▪  tijdelijke lijfrente-uitkering,

   ▪  via verzekering of bancaire lijfrente,

naar

▪  levenslange lijfrente-uitkering,

   ▪  of bancaire lijfrente-uitkering,

        ▪  duur minimaal 20 jaar.

 

•  De eerdere uitkeringsjaren tellen niet.

   ▪  De AOW-gerechtigde leeftijd plus 5 jaar,

        ▪  mag bij de nieuwe lijfrente-uitkering verstreken zijn.

 

 

Related Entries

error: Copyright PENSIOENEN.COM